– In de trein van Amsterdam Zuid naar Utrecht Centraal –
Op de stoelen tegenover mij gaan twee jongens zitten van rond de twintig. De ene heeft zijn haar gemillimeterd en een bril op. De ander heeft kort blond haar met veel gel erin en een winterjas aan van The North Face. De jongen met de bril op legt zijn armen op het tafeltje tussen ons in en legt zijn hoofd erop. Ik kijk ernaar terwijl hij er langzaam afglijdt. Als zijn hoofd naast het tafeltje hangt, schrikt hij en kijkt op. Hij ziet mij kijken en glimlacht.
Dan stoot hij zijn vriend aan. ‘Heb jij het aan haar gegeven?’
‘Heb jij het?’ vraagt hij dan aan mij.
‘Nee,’ zeg ik. Waar gaat dit over? denk ik.
‘Heb jij het aan haar gegeven?’
De andere jongen lacht hardop. Er volgt een warrige discussie over inchecken en kortingskaarten. Of ik had gezien of ze wel hadden ingecheckt?
‘Ik was in slaap gevallen,’ zegt de jongen met de bril. ‘Ik dacht dat jij mijn kaartje had.’
De vriend schaterlacht en ik moet ook lachen. Ik vraag me af onder welke invloed de jongen is.
‘Wie ben jij?’ vraagt hij aan mij.
‘Ik heet Ella,’ zeg ik.
‘Dit is Johan,’ zegt de jongen.
‘Hallo,’ zeg ik.
‘Hallo,’ zegt Johan.
‘En hoe heet jij?’ vraag ik.
‘Marco.’
‘Waar zijn we nu?’ vraagt Marco.
‘Op weg naar Utrecht,’ zeg ik.
‘Ga jij naar Utrecht?’
‘Ja,’ zeg ik.
‘Dan ga ik met je mee. Kun je in Utrecht ook drinken?’
‘Nee,’ zegt Johan, ‘dat kan niet. Het is zondagavond. Zij moet morgen weer naar school.’
‘Ja?’ vraagt Marco.
‘Naar de universiteit,’ zegt Johan.
‘Ik ben morgen vrij. Kun je ook drinken op de universiteit?’ vraagt Marco aan mij.
‘Dat denk ik niet,’ zeg ik.
‘Alleen whisky,’ zegt Johan. Hij kijkt naar mij opdat ik het spel meespeel.
‘Ja, alleen whisky.’
‘Dat trek jij niet,’ zegt Johan tegen zijn vriend.
Marco blijft mij aankijken met een blik die van heel ver lijkt te komen. ‘Zit jij ook bij een dispuut?’ vraagt hij.
‘Nee,’ zeg ik, ‘maar ik studeer ook al niet meer.’
‘Oh.’
Even later zegt hij weer dat hij meegaat naar Utrecht. ‘Ik moet het wel even aan de vrouw vragen,’ zegt hij.
Johan schatert weer.
‘Ja, je kunt niet zomaar met vreemde vrouwen meegaan,’ zeg ik.
‘Nou, dan ken je Marco nog niet!’ lacht Johan. En dan tegen Marco: ‘wat moet zij wel niet van ons denken? Straks als ze thuis is, schrijft ze het nog op.’
